Protocol onder de loep

Elke editie van Kiind magazine neem ik een ander protocol in de geboortezorg onder de loep. Als zwangere je eigen koes varen is nog niet zo eenvoudig in een systeem dat bommetje vol richtlijnen en protocollen zit. Hoe vind en behoud je je eigen weg?

Eerst de theorie. We bepalen zelf waar, hoe en met wie we bevallen – dat recht ligt wettelijk vastgelegd. De taak van de verloskundige of gynaecoloog is om jou te informeren over alle opties, en de voor- en nadelen van elke keuzemogelijkheid te geven. Hopla: daarna kan de zwangere vrouw haar eigen keuze maken.

Dan de praktijk. Die is, zoals vaak, weerbarstig. Want ga er maar aan staan, samen met je partner alle keuzes en risico’s afwegen als de hormonen door je lijf gieren en de uitkomst onbekend is. Statistiek, dat zijn kille cijfertjes van abstracte gemiddelden, die gaan niet over jóuw lijf en jóuw baby. De omgeving waarin een zwangere vrouw haar keuzes moet maken, is ook alles behalve waardevrij of neutraal. ‘Veilig’ en ‘gevaar’ lijkt er in onzichtbare inkt op veel muren in spreekkamers gekalkt. Dat counselen-zonder-sturen gaat de meeste verloskundigen en gynaecologen niet bijzonder puik af; uit tal van trainingsopnamen blijkt dat zorgverleners die zelf dénken een vrije keuze te geven, vaak toch de nadruk leggen op één van de behandelopties. Daardoor is het voor de zwangeren verdomd lastig haar eigen voorkeuren uit te spreken. We voelen haarfijn aan wat er verwacht wordt, en bijna iedere zwangere die ooit buiten de lijntjes gekleurd heeft, weet hoe taai dat proces kan zijn.

De ‘dokter weet het beter’-mentaliteit zit tot in de haarvaten van onze maatschappij verankerd. Zorgverleners weten immers toch zeker waarover ze het hebben, en baseren hun advies op keiharde wetenschappelijke inzichten? Voor de duidelijkheid: we wonen in een land met geweldige gezondheidszorg en kunnen in onze handen knijpen met zulke goed opgeleide professionals aan onze zijde op een van de belangrijkste momenten in ons leven. Maar dat betekent niet dat we overal kritiekloos ja en amen hoeven te zeggen.

Op de stelligheid waarmee sommige adviezen de lippen van zorgverleners passeren, is bijvoorbeeld nog wel wat af te dingen. Bij het schrijven van richtlijnen wordt elk bewijs onder de loep genomen en ingedeeld in een van de volgende vier categorieën: is er sterk wetenschappelijk bewijs op basis van verschillende grootschalige onderzoeken (categorie A), leunt het bewijs nog op één, goed uitgevoerd onderzoek (B), is er sprake een matig uitgevoerd onderzoek dat aanleiding is voor meer onderzoek (C) óf is er géén direct bewijs, maar is de richtlijn gebaseerd op de ervaring van deskundigen (D). De hoeveelheid richtlijnen die gebaseerd is op categorie A? Hooguit twintig procent.

Dit betekent niet dat alle niet categorie A-richtlijnen linea recta de prullenbak in kunnen, wél dat het belangrijk is om te weten in welke categorie de richtlijn of het protocol valt waar je als zwangere mee te maken krijgt. Want het kan een slok op een (alcoholvrije) borrel schelen bij het afwegen van de risico’s van optie A of B. Bij een ‘expert opinion’ kan het immers nooit zo zijn dat het standaard beleid wordt en je als zwangere moet knokken als je iets anders wilt. Dat richtlijnen suggesties voor behandeling zus of zo geven, is het probleem dan ook niet. Waar het vaak spaak loopt, is de houding alsof elke passage uit zo’n richtlijn een in beton gegoten natuurwet is. ‘Evidence based medicine’ (EBM) is meer dan alleen een zichzelf op de borst kloppende “ik ben helemaal up to date wat betreft het onderzoek”. Je kunt nooit een individuele situatie beoordelen op onderzoek dat over een hele groep gaat, en bovendien heeft elke zorgverlener zijn eigen visie en ervaring. Daarom bestaat EBM niet uit één, maar uit drie onderdelen: wetenschappelijk onderzoek, de ervaring van de zorgverlener en….. tadadada……de wensen van de cliënt! Die laatste twee worden tegenwoordig helaas nog wel eens vergeten.