#Blog Baas over eigen bevalling

Over een paar maanden ga ik bevallen van mijn derde kind. Naar alle waarschijnlijkheid zal dat, na twee eerdere probleemloze en pijlsnelle ervaringen, weer thuis zijn. Volgens Kenneth Watson en Rob Kottenhagen (Volkskrant Opinie, 29-4-2014) ben ik daarmee een willoos slachtoffer van mijn verloskundige, die niet alleen Russisch roulette speelt met mijn leven, maar ook met dat van mijn baby. Hun betoog is niet alleen aanmatigend ten opzichte van de verloskundige zorg in Nederland, het stuk staat ook nog eens barstensvol feitelijke onjuistheden én gaat volledig voorbij aan degene die centraal zou moeten staan in de geboortediscussie: de zwangere zelf.

De heren – respectievelijk als promovendus en hoofddocent verbonden aan het Instituut voor Beleid & Management Gezondheidszorg van de Erasmus Universiteit – foeteren op verloskundigen die de thuisbevalling onterecht als veilig zouden bestempelen. Gynaecologen die dat durven te betwijfelen, worden beschimpt en afgeserveerd. De werkelijkheid is dat eerstelijns verloskundigen zich steeds meer in de marge bewegen; nog geen zestien procent van de Nederlandse vrouwen bevalt nog thuis (in 2008, toen ik net bevallen was van mijn eerste dochter, was dat nog dik 25 procent. Dit om aan te geven hoe snel verandering kan gaan).

Volgens Watson en Kottenhagen zou één op de drie vrouwen tijdens een ‘knusse’ thuisbevalling alsnog met ‘gillende sirenes’ naar het ziekenhuis vervoerd worden. Het klopt dat de helft van de vrouwen die bevallen van hun eerste kind, en twintig procent van de vrouwen van een volgend kind, alsnog verwezen wordt, maar het gaat in nog geen vier procent van de gevallen om een spoedverwijzing. Dat verloskundigen vaker en sneller doorverwijzen, heeft onder andere te maken met de steeds striktere protocollen die in hun Verloskundige Indicatie Lijst (VIL) staan. Er zijn zo veel regels dat normaal inmiddels bijzonder is geworden. We zijn de afgelopen jaren buitenproportioneel bezig geweest met risico’s, de balans is zoek.

Dode baby’s

Het is angst, ik snap het allemaal wel. Want we denken dat er in Nederland veel meer baby’s doodgaan dan elders in Europa. We bungelen immers steevast onderaan de Europese ranglijsten; het is deze knuppel die tegenstanders standaard in het thuisbevallingshok gooien. De dode baby-kaart is een keiharde, want lastig te betwisten zonder voor ijskoningin uitgemaakt te worden. Maar over welke cijfers hebben we het eigenlijk? Je kunt sterftecijfers tussen verschillende Europese landen immers niet zo maar met elkaar vergelijken, het ene land heeft andere meetmethodes en statistieken dan het andere. Zo telt Nederland de babysterfte vanaf 22 weken mee, inclusief de zwangerschapsafbrekingen naar aanleiding van screening op het syndroom van Down. Andere landen tellen pas vanaf 24 of 28 weken, en/of nemen de zwangerschapsafbrekingen niet mee in hun cijfers.

Daarnaast hebben Nederlandse artsen tot voor kort een zeer terughoudend behandelbeleid gevoerd ten aanzien van extreem vroeggeboren baby’s. Hierdoor ligt onze sterfte in de eerste week na de geboorte hoger dan in andere landen. En juist bij die vroeggeboorte liggen de meeste problemen. De overlevingskansen van de vroeggeboren baby’s hebben alles te maken met de medische behandelingsmogelijkheden en de toepassing daarvan door de kinderarts na de bevalling. Baby’s die in Nederland niet koste wat kost in leven worden gehouden (als ze heel erg ziek zijn), sterven in de eerste week na de bevalling. In landen waar intensief behandeld wordt, zal een groot aantal van deze baby’s alsnog in de eerste maanden na de bevalling overlijden. Deze cijfers zijn dan niet terug te zien in de statistieken van de perinatale sterfte. Ook deze methode ‘verlaagt’ de babysterfte, maar alleen statistisch, niet in werkelijkheid.

Als we kijken naar cijfers die beter te vergelijken zijn, namelijk de foetale sterfte (sterfte tijdens zwangerschap of bevalling, doodgeboren kindjes) vanaf 28 weken, dan zit Nederland bij de ‘middenmoot’. Maar wat is dat: middenmoot? In de laatst bekende cijfers gaat om een sterfte van 2.9 per 1000 geboortes, vanaf 28 weken. Landen als Denemarken en Zweden – waar we vaak mee vergeleken worden – zitten op 2.3 en 2.8, Vlaanderen op 2.8 en het Verenigd Koninkrijk zelfs op 3.8. Alleen Finland en IJsland hebben veel lagere cijfers: 2 en 1.8 per 1000.

Kénnen Watson en Kottenhagen deze cijfers niet, of kiezen ze er bewust voor de werkelijkheid selectief te schetsen? Voor de duidelijkheid: ondanks mijn twee soepel verlopen thuisbevallingen, ben ik absoluut niet tegen bevallen in het ziekenhuis. Ik heb vriendinnen die hun eigen leven én dat van hun kind te danken hebben aan inventieve, accurate ingrepen van betrokken en vaardige gynaecologen. Ik ken ook genoeg vrouwen (en hun partner) die er om wat voor reden dan ook niet aan moeten denken thuis te bevallen: fijn dat er voor hen de keuze is om poliklinisch in tal van prachtige bevalcentra te baren. Wanneer zijn we met zijn allen gaan geloven dat bevallen iets is wat een vrouw niet kan zonder hulp van een medische professional? Waar verloskundigen tijdens hun opleiding eindeloos stage lopen in ziekenhuizen, zien de meeste gynaecologen nooit een ‘normale’, niet-pathologische bevalling in een thuissituatie. Nooit. Over wat voor deskundigheid hebben we het dan?

Dokter weet het beter’-mentaliteit

Keuzevrijheid is een groot goed. Dat beseffen ook de vrouwen in landen waar ziekenhuisbevallingen ondertussen feitelijk de enige mogelijkheid zijn; van Amerika tot Frankrijk, van Australië tot Brazilië: overal groeit de groep vrouwen die zich actief verzet tegen het gebrek aan keuzes rondom hun bevalling. Hun enige optie? Thuis, zonder enige medische assistentie, in hun eentje bevallen. Deze zogeheten unassisted childbirth is ook in Nederland in opkomst; naar schatting 200 vrouwen bevielen afgelopen jaar in hun up.

Gestaag, maar onherroepelijk, heeft de bevalling zich ook in Nederland de afgelopen eeuw verplaatst van thuis naar het ziekenhuis. Watson en Kottenhagen staan niet alleen in hun pleidooi voor volledige afschaffing. Maar ook zonder hun kruistocht, lijkt het uitsterven van de thuisbevalling een kwestie van tijd. Is dat erg? Ja, dat is erg. Iedere vrouw heeft het fundamentele recht zelf te kiezen waar en met wie ze bevalt. Dat heb ik niet zelf verzonnen: het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg bevestigde dit recht nog in 2010, toen het in de zaak Ternovszky versus Hongarije concludeerde dat een overheid een vrouw niet mag beperken in haar wens thuis te bevallen. Het is daarom onbegrijpelijk dat feministisch Nederland zich nooit hard gemaakt heeft voor baas over eigen bevalling. Nogmaals: een pleidooi voor het behoud van keuzevrijheid, is niet per se een pleidooi voor de thuisbevalling. Maar door het standpunt in te nemen dat de gynaecoloog ‘bepaalt’ of een zwangere wel/niet thuis ‘mag’ bevallen, wordt ze gedegradeerd tot het lijdend voorwerp van een ziekenhuisprotocol: ze mag niet thuis bevallen, ze moet ingeleid worden met 42 weken zwangerschap, ze krijg geen toestemming om anders dan liggend te baren. In elke andere situatie – thuis of op het werk – staan vrouwen terecht op hun achterste benen als iemand ze beknot in hun keuzevrijheid. Maar als het om bevallen gaat, lijken we niet te beseffen dat we ook rechten hebben, net zoals we die op ons werk, of in onze relatie hebben. “We zitten vast in onze ‘de dokter weet het beter’-mentaliteit, zonder hun keuzes of beweegredenen kritisch te bevragen”, schreef feministisch schrijver Milli Hill onlangs op het Britste blog Best Daily. Ze pleit dan ook voor een beweging van vrouwen (én hun mannen!) die het recht op eigen bevalling claimen.

Geen romantisch geleuter

Een bevalling is een ingrijpende ervaring die sterke en langdurige gevoelens oproept”, zegt hoogleraar verloskunde Simone Buitendijk. “Een bevalling is een groot ‘life event’. We weten uit onderzoek hoe belangrijk het is dat een vrouw een goede bevallingservaring heeft. Een negatieve ervaring leidt tot een grotere kans op angst en op gevoelens van falen, en meer kans op een postnatale depressie en zelfs een posttraumatisch stresssyndroom.” Uit promotieonderzoek van Claire Stamrood uit Groningen bleek vorig jaar dat minstens tweeduizend vrouwen jaarlijks ptss oplopen na een traumatische bevalling. Wanneer vrouwen tijdens de bevalling geen controle hebben (ergo: een arts die zegt wat je wel en niet mág doen) vergroot dat de kans op angst en paniek aanzienlijk, en daarmee op een negatieve ervaring. Het gaat hier niet om geneuzel in de marge, niet om romantisch geleuter en behoefte aan knusheid en het zachte licht van kaarsjes op het nachtkastje, het gaat om de fundamentele behoefte van iedere vrouw om zeggenschap te hebben over wat er met haar eigen lijf gebeurt. Dat kan alleen bereikt worden door de wensen, keuzes en behoeften van iedere zwangere vanaf het allereerste moment serieus te nemen – en niet een sociaal wenselijk babbeltje te voeren met als enige doel dat ze zich alsnog conformeert aan het protocol.

Het is in dit licht dan ook een gotspe dat Watson en Kottenhagen de tuchtzaak tegen drie vroedvrouwen aangrijpen om hun oneigenlijke punt te maken. Deze vroedvrouwen – Laura van Deth, Rebekka Visser en Elisabeth Polak – werden immers niet geschorst c.q. berispt omdat ze medische geïndiceerde zwangeren thuis begeleid hadden bij een baring, maar de manier wáárop ze dat gedaan hadden (namelijk met gebrekkige overdracht en gebrek aan documentatie). Dat Van Deth na het hoger beroep waarschijnlijk weer aan de slag kan, is niet ‘onbegrijpelijk’, maar het logische gevolg van de complexe geboortezorgketen waarvan zij deel uitmaakte. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft oog gehad voor het héle verhaal en niet alleen het slotstuk. Als de vier casussen waar de tuchtzaak op gebaseerd was, één ding duidelijk maken, is het namelijk hoe faliekant mis het kan gaan als ziekenhuisdeuren zonder pardon dicht gekletterd worden als vrouwen ‘afwijkende’ geboortewensen hebben. Zo wilde een van de moeders thuis bevallen van haar in stuit liggende kind. Haar gynaecoloog stond niet open voor haar wens om in bad te bevallen. Wat hadden de vroedvrouwen in kwestie moeten doen, zorg weigeren? Of het beste doen wat in hun mogelijkheden lag? De schuld voor deze uitkomst bij de laatste strohalm leggen, is wel zo makkelijk, maar het lost het pijnlijke dilemma in de geboortezorg niet op.

Better be safe than sorry, en ‘dus’ de gynaecoloog aan het roer bij álle bevallingen – zoals Watson en Kottenhagen betogen? Dát zou de vrouwenemancipatie pas vijftig jaar terugwerpen in de tijd, want het berooft ons allemaal van vrije keuze rondom een van de meest bepalende gebeurtenissen in ons leven.

 

Mijn ‘eigen’ vroedvrouw Claudia van Dijk schreef een scherpe repliek op het Volkskrant-stuk dat wél geplaatst werd 🙂

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *